Ashbery Mode,’ zo opent Michael Farrell zijn voorwoord, ‘erkent de grote invloed van – en waardering voor – John Ashbery en zijn werk in Australië.’ Of Farrell met deze bloemlezing Ashbery’s invloed ook wil aantonen wordt niet duidelijk. Hij spreekt met geen woord over de toegepaste selectiecriteria.

Heeft hij gedichten uitgekozen op grond van ashberyiaanse kenmerken of dichters gevraagd een gedicht te schrijven met het werk van Ashbery in hun achterhoofd? Dat is en blijft zo helder als koffiedik.

Ik moet het doen met wat voor me ligt: ruim honderd bladzijden poëzie waarbij ik in het ene gedicht meer Ashbery herken dan in het andere. Wat niet erg is; ik vermaak me desondanks uitstekend. Ashbery Mode is simpelweg een eerbetoon, hommage, huldeblijk.

Onderstaand gedicht is van Ashley Capes:

BLACK COMEDY

the trouble with harry

doet me aan pittige pastasaus denken,

en bij het afwassen

in oranje water

dat koud wordt

omdat ik niet kan stoppen

met denken, aan vlinders

en die korte

maanden; hebben de sterkste nog tijd

om te doen wat het ook is

dat insecten doen? het probleem met

sterven is dat het nooit

zo grappig kan zijn als een black comedy

of zal ik, als het erop aankomt,

kunnen lachen om mijn lichaam

als men het in een gat laat zakken,

om de een of andere reden strak

in het pak in een kist met

een kussen en mijn tanden vast

en zeker heel schoon en wie weet

ook nog gebleekt,

voor het geval dat ik waar ik ook heenga

een grote glimlach nodig heb?

— Ashley Capes

In zijn voorwoord van Ashbery Mode haalt de Australische dichter en redacteur Michael Farrell de Engelse hoogleraar moderne literatuur David Herd aan: ‘Niet sinds Auden heeft een dichter de mainstream en avant-garde zo overheerst.’

In Ashbery Mode, dat in 2019 werd uitgegeven door het op Hawaii gevestigde Tinfish Press, heeft Farrell verzen van Australische dichters verzameld, die zijn geëlektriseerd door het dichtwerk van de in Rochester, NY geboren John Ashbery.

Ashbery overleed twee jaar geleden op negentigjarige leeftijd. Hij heeft ca. dertig dichtbundels op zijn naam staan. Ik verwacht de komende jaren een stortvloed aan publicaties over zijn leven en fenomenale oeuvre.

Voor zover ik weet zijn er tot nu toe twee bundels uitgebracht met vertalingen naar het Nederlands van werk van Ashbery: (1) De mandril op de slagboom. Een keuze uit zijn gedichten 1956-1994, vertaald door J. Bernlef & Peter Nijmeijer (Meulenhoff, 1995) en (2) Ergens in Amerika, vertaald door mijzelf (Azul Press, 2013). Deze laatste is nog steeds verkrijgbaar en bevat een selectie uit 2000-2013.

‘Iedereen heeft zijn eigen Ashbery,’ volgens Farrell, ‘en praat met zijn gedichten – of vanwege zijn gedichten – op verschillende manieren.’ Iedereen heeft zo zijn eigen Ashbery modus.

Ook ik. Hoewel Ashbery’s invloed al merkbaar is in mijn bundel Een lijn is een vore (2011) is mijn modus operandi in Ingangspunt (2013) ashberyiaans met een hofiaanse twist. Dit werkje ligt mij na aan het hart en wacht nog altijd op een vervolg.

Over Ashbery Mode de komende berichten meer. Ik besluit met een gedicht uit Ergens in Amerika:

STOMME BEELTENIS

Het was tijd om op te stappen.
Dit is wat hem in leven hield:
gerookte vis, zijn bivakmuts, zijn abonnement
op Golf Digest, een overvloed aan verse groenten,
zijn ongeformuleerde overtuiging
dat een stukje God iedere man verlevendigt.
Mogelijk ook vrouwen, maar dat formuleerde hij niet.

Heb je dit niet zelf geprobeerd, een of twee keer?

Pardon, ik –

Ik kon hem niet verwarren met oude
gewoontes van mij, zoals wanneer ik slaap.

— John Ashbery