Halverwege de jaren negentig, ik was midden dertig, duikelde ik bij toeval de bundel Een klok en profil van K. Schippers op, las het eerste vers, ‘Harten jagen’, en was verkocht. Ik had sinds de middelbare school geen poëzie meer gelezen of geschreven, maar kon met Een klok en profil in mijn handen alleen nog maar toestemmen in een terugkeer van de dichtkunst in mijn leven.

Sindsdien is de muze bij me gebleven.

En ‘Harten jagen’ ligt me nog altijd na aan het hart. Het draait om de uniciteit van elke tel, ieder ogenblik, waarover Schippers zich kan blijven verwonderen. Het gedicht maakt me vrolijk, spoort me aan om beter om me heen te kijken en het moment te plukken.

Soms, als ik denk dat niemand me kan horen, lepel ik de derde strofe met luide stem op!

En, om terug te komen op mijn verhaal, na het lezen van Schippers’ verzen werd ik overrompeld door de drang om er zelf eentje te schrijven. En dat deed ik toen ook.