John Ashbery: ‘At North Farm’, uit de bundel A Wave (1984)

OP HOEVE NOORD

Ergens is iemand verwoed naar je onderweg,
In vliegende vaart, dag en nacht reizend,
Door sneeuwstormen en verzengende hitte, over woelig water
    en nauwe passen.
Maar zal hij je weten te vinden,
Je herkennen wanneer hij je ziet,
Je het ding geven dat hij voor jou bij zich heeft?

Hier groeit nauwelijks iets,
Maar de graanschuren barsten van het meel,
De zakken meel liggen tot de nok toe opgestapeld.
De beekjes brengen zoete klanken voort, vette vis;
Vogels verduisteren de lucht. Volstaat het
Dat ’s nachts de kan melk wordt klaargezet,
Dat we soms aan hem denken,
Soms en altijd, met gemengde gevoelens?

– John Ashbery

Hoewel ‘At North Farm’ een vlotlezend gedicht is, is het zuinig met informatie en roept daarom vragen op, waaronder: Wie is de reiziger? Naar wie is hij onderweg en waarom? Wat heeft de reiziger bij zich? En waarom wordt er met gemengde gevoelens aan hem gedacht?

Maar, zoals zo vaak, is ook dit vers niet volledig aan Ashbery’s verbeelding ontsproten en heeft het tevens wortels daarbuiten, in dit geval, volgens diverse bronnen, het Finse epos Kalevala, een heroïsch drama vol avonturen en dappere daden.

Terugkerende thema’s in de Kalevala zijn de zoektocht naar een bruid en de strijd om een magisch voorwerp dat geluk brengt. In een van de verhaallijnen van het epos wordt een dochter door haar boosaardige moeder uitgehuwelijkt in ruil voor dat magische voorwerp. Mogelijk verwijst ‘At North Farm’ specifiek naar deze gebeurtenis. De ‘we’ en de ‘gemengde gevoelens’ in de afsluitende regels worden dan heel begrijpelijk.

Mits wat speurwerk wordt verricht hoeft een Ashbery vers niet mysterieus te blijven.

‘De kunstenaar wordt niet alleen uitgedaagd om het jachtige heden te beschrijven, maar ook om inzicht te verkrijgen in wie we in het hier en nu zijn, om te onderzoeken wat ons bindt en om vervolgens de vraag te beantwoorden: En hoe dan te leven?’

Philip Metres

‘Sommigen van ons lezen of schrijven niet zozeer voor hun plezier of met het oog op onderricht, maar om te veranderen, te beteren, zich op te laden.’

C.D. Wright

‘Weet je, het lijkt erop dat mensen nagenoeg alles liever doen dan een gedicht lezen en verwerken. Een uiteenzetting van de dichter over wat hij ermee bedoelt, wordt als zeer leerzaam beschouwd, maar mijn punt is dat die echt niemand helpt, omdat zij slechts een parafrase op afstand is.’

John Ashbery

Over de slinger van haar bundel Witness in the Convex Mirror (2019) zegt Eileen R. Tabois in een noot vooraf: ‘Elk gedicht begint met één of twee regels uit “Self-Portrait in a Convex Mirror” van John Ashbery.’

Ashbery publiceerde dit legendarische gedicht in 1975 en kreeg voor de gelijknamige bundel de Pulitzer Prize, de National Book Award en de National Book Critics Circle Award.

Tabois, die meer dan vijftig boeken op haar naam heeft staan, gaat met deze matige dichtbundel overigens geen prijzen in de wacht slepen.

Hoewel ik niet zo’n fan ben van Tabois’ hoekige, vaak uitgesproken politieke poëzie kocht ik, als Ashbery freak, haar bundel vanwege de gehanteerde procedure. Maar de grandeur van Ashbery’s regels blijkt geen garantie voor lovenswaardige prestaties van Tabois. Eerlijk gezegd bakt ze er meestal niets van.

Toch maar eentje vertaald, met een weliswaar aardig maar uit de lucht vallend slot. De eerste regel is van Ashbery, de overige vijf van Tabois.

NATIONALISME


Binnen blikveld onder avondhemel, zonder
voorbode van inzicht dat, in elk geval,
vermoeiend zou zijn aan het einde
van een lange dag: wild wapperende vaandels
alsof de dag even tevoren werd begroet.
Dus, het inzicht: zoals vlaggen rafelen landen

– Eileen R. Tabois

We zijn het niet eens over wat een gedicht is. Er bestaat geen universele definitie van.

Dit vermogen om zich te onttrekken aan een eensluidende bepaling vind ik een fascinerende eigenschap van dit verschijnsel.

Mijn boekenkast staat vol met pogingen tot, die allemaal bot hebben gevangen. Elkeen heeft zo zijn eigen vage idee van wat een gedicht is.

Ook de gelauwerde dichter Don Paterson zette zijn idee uiteen, in een heel dik boek, dat onlangs in de Nederlandse Boekengids door Piet Gerbrandy werd besproken.

In die bespreking lees ik dat volgens Paterson een ‘goed gedicht’ mooi en betekenisvol is, één thema heeft en het de lezer niet onnodig moeilijk maakt.

Wat in mijn ogen een beperkte opvatting is, té beperkt.

En als ik verneem dat hij een ‘uitgesproken weerzin’ heeft tegen het werk van John Ashbery weet ik het zeker: Paterson is kleingeestig van aard.

In de verwachting dat Paterson mijn blik op poëzie niet zal verruimen schaf ik zijn boek niet aan.

Wel komt de vraag bij me op welke kennis en ervaring ik – na elf dichtbundels – zou kunnen en willen doorgeven aan aspirant-dichters.

Hoe ben ik begonnen? Wie zijn mijn leermeesters geweest? In welke traditie sta ik eigenlijk?

Ik zal deze vragen in volgende berichten trachten te beantwoorden.

John Ashbery groeide op een boerderij vlakbij het Ontariomeer op. In zijn gedichten refereert hij regelmatig aan het boerenleven. Op dertienjarige leeftijd verloor hij plotseling zijn vier jaar jongere broer aan leukemie. Ook naar deze dramatische gebeurtenis verwijst Ashbery meer dan eens in zijn poëzie. Aan deze dingen moest ik denken toen ik het in Ashbery Mode opgenomen gedicht ‘Ground’ van Louise Crisp las. Overigens liggen Lindenow en Mitchel River in Australië, de geboortegrond van Crisp.

GROND

In Lindenow schoffelt de oude man in zijn moestuin.

Hij schoffelt met lange vloeiende halen
zo lang als de heuvels

die uitrijzen boven de zich door de vlakte
van Lindenow slingerende Mitchel River.

Hij schoffelt voor iemand anders
onder rijen gele en groene groenten

er ligt een waas
van wit gif over hun bladeren.

Als hij met zijn schoffel
enkele bladeren wegduwt

ziet hij onder de gekleurde groenten
nog een laag grond

gevormd naar de vorm van ’s mans land.

— Louise Crisp

Ashbery Mode,’ zo opent Michael Farrell zijn voorwoord, ‘erkent de grote invloed van – en waardering voor – John Ashbery en zijn werk in Australië.’ Of Farrell met deze bloemlezing Ashbery’s invloed ook wil aantonen wordt niet duidelijk. Hij spreekt met geen woord over de toegepaste selectiecriteria.

Heeft hij gedichten uitgekozen op grond van ashberyiaanse kenmerken of dichters gevraagd een gedicht te schrijven met het werk van Ashbery in hun achterhoofd? Dat is en blijft zo helder als koffiedik.

Ik moet het doen met wat voor me ligt: ruim honderd bladzijden poëzie waarbij ik in het ene gedicht meer Ashbery herken dan in het andere. Wat niet erg is; ik vermaak me desondanks uitstekend. Ashbery Mode is simpelweg een eerbetoon, hommage, huldeblijk.

Onderstaand gedicht is van Ashley Capes:

BLACK COMEDY

the trouble with harry

doet me aan pittige pastasaus denken,

en bij het afwassen

in oranje water

dat koud wordt

omdat ik niet kan stoppen

met denken, aan vlinders

en die korte

maanden; hebben de sterkste nog tijd

om te doen wat het ook is

dat insecten doen? het probleem met

sterven is dat het nooit

zo grappig kan zijn als een black comedy

of zal ik, als het erop aankomt,

kunnen lachen om mijn lichaam

als men het in een gat laat zakken,

om de een of andere reden strak

in het pak in een kist met

een kussen en mijn tanden vast

en zeker heel schoon en wie weet

ook nog gebleekt,

voor het geval dat ik waar ik ook heenga

een grote glimlach nodig heb?

— Ashley Capes

In zijn voorwoord van Ashbery Mode haalt de Australische dichter en redacteur Michael Farrell de Engelse hoogleraar moderne literatuur David Herd aan: ‘Niet sinds Auden heeft een dichter de mainstream en avant-garde zo overheerst.’

In Ashbery Mode, dat in 2019 werd uitgegeven door het op Hawaii gevestigde Tinfish Press, heeft Farrell verzen van Australische dichters verzameld, die zijn geëlektriseerd door het dichtwerk van de in Rochester, NY geboren John Ashbery.

Ashbery overleed twee jaar geleden op negentigjarige leeftijd. Hij heeft ca. dertig dichtbundels op zijn naam staan. Ik verwacht de komende jaren een stortvloed aan publicaties over zijn leven en fenomenale oeuvre.

Voor zover ik weet zijn er tot nu toe twee bundels uitgebracht met vertalingen naar het Nederlands van werk van Ashbery: (1) De mandril op de slagboom. Een keuze uit zijn gedichten 1956-1994, vertaald door J. Bernlef & Peter Nijmeijer (Meulenhoff, 1995) en (2) Ergens in Amerika, vertaald door mijzelf (Azul Press, 2013). Deze laatste is nog steeds verkrijgbaar en bevat een selectie uit 2000-2013.

‘Iedereen heeft zijn eigen Ashbery,’ volgens Farrell, ‘en praat met zijn gedichten – of vanwege zijn gedichten – op verschillende manieren.’ Iedereen heeft zo zijn eigen Ashbery modus.

Ook ik. Hoewel Ashbery’s invloed al merkbaar is in mijn bundel Een lijn is een vore (2011) is mijn modus operandi in Ingangspunt (2013) ashberyiaans met een hofiaanse twist. Dit werkje ligt mij na aan het hart en wacht nog altijd op een vervolg.

Over Ashbery Mode de komende berichten meer. Ik besluit met een gedicht uit Ergens in Amerika:

STOMME BEELTENIS

Het was tijd om op te stappen.
Dit is wat hem in leven hield:
gerookte vis, zijn bivakmuts, zijn abonnement
op Golf Digest, een overvloed aan verse groenten,
zijn ongeformuleerde overtuiging
dat een stukje God iedere man verlevendigt.
Mogelijk ook vrouwen, maar dat formuleerde hij niet.

Heb je dit niet zelf geprobeerd, een of twee keer?

Pardon, ik –

Ik kon hem niet verwarren met oude
gewoontes van mij, zoals wanneer ik slaap.

— John Ashbery