Elfie Tromp: ‘Groen’, uit de bundel Victorieverdriet (De Geus, 2018)

GROEN


Planten houden van aandacht
maar bossen groeien ook zonder mensen


’s nachts kronkelde hij langs de spijlen van het bed
sloeg ik de deken open en werd alles jungle


hij wilde een carrière
de politiek in
de wereld veranderen
of gewoon gelukkig zijn


het is geen gezicht
een kamerplant in overhemd
die sigaret tussen de bladeren
hoe hij de rookpaal zoekt op het station


wanneer het vriest
maak ik me zorgen
dit is niet zijn klimaat

– Elfie Tromp

Omdat ik niet weet wie Elfie Tromp is, googel ik haar en lees kwalificaties als ‘misthoorn’ en druktemaker’. Ze is in Rotterdam geboren (1985) en heeft enkele boeken op haar naam staan, waaronder één dichtbundel: Victorieverdriet.

‘Groen’ is het openingsgedicht en mijn eerste kennismaking met het werk van Tromp. Nieuwsgierig treed ik binnen, kijk om me heen, luister, vraag me af waar ik terecht gekomen ben.

Iemand praat, tegen niemand in het bijzonder, in zichzelf wellicht. Ik sta er wat verloren bij, zie tevergeefs rond naar uitgestoken handen.

Hoewel de verteller allerlei plekken aandoet – bos, bed, jungle, wereld, station – kan ik niet peilen waar ik als toehoorder ben aanbeland. Maar, zoveel is zeker, hier is men geen feestje aan het bouwen.

Een ik en een hij. En een relatie.

Een hij die wat vage loopbaanplannen heeft en de looks van een kamerplant, van aandacht houdt, in bed kronkelt, sigaretten rookt en een hekel heeft aan vrieskou.

En een ik die dekens openslaat en zich, als het vriest, zorgen maakt om meneer.

Tja. Je krijgt het idee dat er binnen deze relatie eentje is die neemt en eentje die geeft, althans zo doet de ik voorkomen.

Ik peins nog wat na. Over de reeks plant-bos-jungle bijvoorbeeld, die ons wellicht iets vertelt over de ontwikkeling die de relatie heeft ondergaan, en misschien wijst ‘groen’ wel op een zekere mate van naïviteit die daarbij een rol speelde.

Maar erg spannend is het allemaal niet. Inhoud noch vorm prikkelen me, beeldspraak en versmaat zijn hier en daar zelfs ronduit knullig.

Vooralsnog geen getoeter en geen branie. Door naar het volgende gedicht. Waarbij ik niet mag vergeten dat een debutante enige clementie verdient.