We zijn het niet eens over wat een gedicht is. Er bestaat geen universele definitie van.

Dit vermogen om zich te onttrekken aan een eensluidende bepaling vind ik een fascinerende eigenschap van dit verschijnsel.

Mijn boekenkast staat vol met pogingen tot, die allemaal bot hebben gevangen. Elkeen heeft zo zijn eigen vage idee van wat een gedicht is.

Ook de gelauwerde dichter Don Paterson zette zijn idee uiteen, in een heel dik boek, dat onlangs in de Nederlandse Boekengids door Piet Gerbrandy werd besproken.

In die bespreking lees ik dat volgens Paterson een ‘goed gedicht’ mooi en betekenisvol is, één thema heeft en het de lezer niet onnodig moeilijk maakt.

Wat in mijn ogen een beperkte opvatting is, té beperkt.

En als ik verneem dat hij een ‘uitgesproken weerzin’ heeft tegen het werk van John Ashbery weet ik het zeker: Paterson is kleingeestig van aard.

In de verwachting dat Paterson mijn blik op poëzie niet zal verruimen schaf ik zijn boek niet aan.

Wel komt de vraag bij me op welke kennis en ervaring ik – na elf dichtbundels – zou kunnen en willen doorgeven aan aspirant-dichters.

Hoe ben ik begonnen? Wie zijn mijn leermeesters geweest? In welke traditie sta ik eigenlijk?

Ik zal deze vragen in volgende berichten trachten te beantwoorden.