Las de afgelopen dagen in Essential Essays: Culture, Politics, and the Art of Poetry (2018) van Adrienne Rich (1929-2012). Soms was ik onder de indruk maar vaker niet. Ik dicht poëzie minder sociaal-maatschappelijke veranderkracht toe dan Rich. Daar zit hem de kneep.

Als gedichten een sterk vermogen tot verandering zouden hebben, waarom worden ze dan niet vaker ingezet? Waarom komen boeren met tractoren en niet met een bundel poëzie? Wat niet wil zeggen dat ik de stelling betwist dat de dichtkunst een zekere capaciteit bezit om ons begrip van de dingen op te rekken, integendeel.

Als Rich het heeft over dichters die schrijven ‘tegen de stilte van hun tijd en locatie in’, dan begrijp ik wat ze bedoelt: barden die onder woorden brengen wat anderen voelen maar niet kunnen of mogen zeggen; een gedicht als een protestsong.

Ik geloof niet dat verzen als breekijzer kunnen fungeren tot daadwerkelijke omvorming van bestaande condities. Ze vertolken verlangens, zijn wilsuitingen, en dragen zo bij tot het krijgen van het gehoor van machtsdragers, overheidsinstituten of wie of wat dan ook. Niet meer, maar ook niet minder.

ALS DICHTER

ben ik vervreemd
van de fijngevoeligheid
van het volk
dat me steeds weer
terloops
en dodelijk
weet te marginaliseren

(tot nu toe
ben ik
nooit veroordeeld
wegens een
politiek gedicht –
radiostilte
viel me ten deel
de witte ruis
van de media
die mijn woorden
stoorde)

telkens als ik hoor
dat poëzie
economisch winstgevend
noch politiek effectief is
raak ik
in verwarring

telkens als ik hoor
dat dissidente opvattingen
kunst
in de vernieling helpen
raak ik
het spoor bijster

telkens als ik hoor
dat ik voorbeschikt ben
tot luxeartikel
tot siersel
op de koffietafel
tot ceremoniële gebruik
op een nationale feestdag
raak ik
van mijn stuk

en denk terug
aan wat Adrienne Rich
ooit werd ingefluisterd
over een land
verafgelegen

waar iedereen
dichter
schijnt te zijn

You’ll love it!

— Ton van ’t Hof